Brusseleir


Oerbier, nat en straf
23/02/2011, 12:21 pm
Filed under: Breuklijnberichten

Het was één van mijn eerste dagen in Brussel dat ik kennis maakte met bier. Niet van dat bruisende slootwater waarmee de ‘Ollanders de wereld veroverden, maar bier. Écht bier. Bier zoals bier bedoeld is. Bier met de hand gemaakt, bier uit houten vaten, bier van bloed, zweet en tranen.

Ik had de hele dag staan verven in mijn nieuwe flatje in Sint-Gillis, een immigrantenbuurt in het zuidoosten van de stad, en ik had dorst. Zin in een pint. De buurt was mij nog onbekend, maar die ochtend was ik een café gepasseerd waar ik ooit een zondagmiddag had gezeten met mijn toenmalige vriendin, bij wie ik logeerde. Er stonden houten kisten met strips in de vensterbanken en ze hadden lekker bier wist ik nog.

“Monsieur”, begon de barman toen ik hem zei wat ik wilde drinken, duidelijk teleurgesteld in mijn gebrek aan beschaving, “een biertje bestellen is hier als een brood bestellen bij de bakker.” Het duurde even voordat ik het doorhad. Dat doe je toch ook? Maar in Brussel is het ene brood het andere niet. Laat staan het ene bier. En in café Moeder Lambic al helemaal niet want daar, zo begreep ik later, schenken ze louter en alleen ambachtelijk bier. “Oerbier”, zo stond te lezen op een geel, lichtgevend reclamebord aan de muur, “nat en straf.”

Ik stotterde wat en na een iets te lang en onbegripvol oogcontact zei ik: “doe dan maar een Duvel.” Het was het eerste Belgische bier dat me te binnen schoot. De barman trok weg als door een kwelling getroffen en ik denk nog steeds dat ik zijn linkermondhoek heb zien trillen. “Dat hebben we niet”, proestte hij uit en wees me met gestrekte arm op het krijtbord met de bieren op tap.

De bovenste leek mij wel geschikt. Guldenberg: twee euro zeventig, achtenhalf procent alcohol, van brouwerij De Ranke uit Wevelgem, een dorpje dichtbij Kortrijk ergens in de provincie West-Vlaanderen, blond en een beetje bitter. Lekker. De barman herpakte zich en bleek niet de beroerdste. Hij wist ervan en vertelde enthousiast. Die bitterzoete smaak, vertelde hij, komt van een speciaal soort hop en van de toevoeging van kandijsuiker. En Duvel! Duvel is industriebier. Het is beursgenoteerd, notabene. En daarmee was alles gezegd.



Ajax-hooligans in Brussel
18/02/2011, 5:30 pm
Filed under: Brussel

Soms, heel soms, heb ik heimwee naar Amsterdam. En soms niet. Soms heb ik het tegenovergestelde van heimwee. Zoals gisteravond.

Ik zat op het terras met mijn goede vriend Paul Teule en een welverdiende pint na een lange dag in het café achter de computer. We zaten bij ons buurtcafé Maison du Peuple aan het rommelige marktplein van Sint-Gillis dat geflankeerd is door een kerk, van waarachter de zon zich voor de laatste keer laat zien op een vroege avond in februari. Het was mijn tweede terrasje van het jaar.

“FOK OUWE, JIJ BENT GEENEENS EEN JOOD!”, brieste een opgefokte tiener tegen een van zijn minstens zo opgefokte maten toen die opeens voorbij denderden, alle drie met zo’n overdreven kordate stap van iemand die belangrijk en te laat is. Nederlanders. In het buitenland. Aan de speed. Vlak voor een Europa League wedstrijd van Anderlecht tegen Ajax.

Het Sint-Gillis Voorplein op een beter moment.

Waar kwam dat opeens vandaan? We zaten nog wat beduusd te kijken naar het groepje vuilbekkende landgenoten toen ze werden teruggeroepen door een vierde, die zojuist de metro had verlaten. Plots waren het er tien, vijftien, twintig. Allemaal even opgefokt. En er was duidelijk iets gaande.

Onenigheid. Ze begonnen wat te springen en te schreeuwen en te duwen onderling. Alsof ze op het Leidseplein stonden na een nederlaag tegen Feyenoord. Ze hadden geen enkel benul van de mensen die er, tot voor kort, rustig in de schemering het einde van de dag zaten te vieren. Paul en ik schoven een tafeltje naar achter. Een van de dolgedraaide tieners greep mijn lege glas en keilde het naar de overkant. Een ander pakte de stoel waar ik eerder nog op zat en smeet het dezelfde kant op.

Het zag er niet uit. Zelfs voor een vechtpartij. Helden op sokken. Ze zwaaiden maar wat rond met hun armen en trapten elkaar met de binnenkant van de voet, zoals je doet voor een pass over tien meter. Het was veel geschreeuw en borstgeklop. “PLEITE! PLEITE!”, schuimbekte er een in een moment van opmerkelijke bedachtzaamheid toen hij begreep dat de politie inmiddels wel gebeld zou zijn. Een paar laatste verwensingen en ze dropen af, het ongedierte.

De volgende pintjes bestelde ik maar in het Frans.